Het is laat. Het is laat en het gaat nog een stuk later worden voor ik thuis ben. Het is nu 12 uur ’s nachts en mijn trein komt pas om vijf voor half één. Bijna een half uur wachten dus in dit tochtige station. En als ik ergens de schurft aan heb, is het wachten. Als er op een mooie, zonnige dag drie mensen in de rij staan te wachten om een ijsje te kopen, zijn mijn hart en goede zin al verkild en sla ik mijn beurt over. Zonder ijsje valt ook heel goed te leven; als ik mijn vrijheid om te bewegen maar heb.
Maar nu is er geen ontkomen aan. Ik ben met een vriend uit wezen eten in zijn stad en kan door de wijn natuurlijk niet met mijn eigen auto. De trein is dan het alternatief, maar dat betekent wel wachten.
Op dit tijdstip wordt nauwelijks nog gereisd. Ik kijk om me heen en zie slechts drie lotgenoten. Een echtpaar op leeftijd dat een verveelde indruk maakt en een wat a-typisch geklede dertiger. Deze laatste is net ontslagen, heeft daarom wat gedronken, heeft geen partner om hem op zijn kledingkeuze te wijzen. Althans, dat vul ik gewoontegetrouw allemaal voor hem in.
Dan loopt de man naar een piano die op het station voor publiek gebruik aanwezig is. Hij speelt zachtjes My funny Valentine. Het is prachtig! Hij ziet dat het verveelde echtpaar en ik enthousiast van hem worden en gaat aangemoedigd verder met enkele geweldige nummers uit het Great American Songbook. Het echtpaar doet een klein walsje en ik zing zachtjes mee en ga in de muziek op.
Precies tijdens ons klaterende applaus, het is inmiddels vier voor half één, zien we onze trein het station verlaten.
