Ik wil een punt maken voor iedereen wiens eigen stem en/of geluid niet gehoord wordt. Voor iedereen die niet gezien wordt, die thuis zit, doof, blind, gevoelloos, of überhaupt alles als loos ervaart. De monddoden, de doden, de nu niet levenden, de nog ongeborenen.
Ik zou een dik punt willen kalken, in het levensboek, dat er een uitroepteken moet komen voor de zwaksten. Alleen al om die reden verdienen ze het een punt te hebben.
Ik wil een punt maken van dingen die zichzelf niet als punt kunnen manifesteren. Voor degenen die het geen punt vinden, dat hun punt niet dik geschreven is, cursief, in groot LETTERTYPE. Of het niet nodig vinden dat hun punt geen punt maar altijd al, slechts een komma is.
En mensen die het voor de wind gaat, niets te klagen, gezond leven in welbehagen, ga ik daar een punt voor maken? Nee, achter die aandacht zetten we maar eens een punt. Zij weten met vlijmgeslepen punt zelf dondersgoed alle puntjes op hun i te zetten en maken feilloos een punt van hun pijnpuntjes; zie hier de Partij van de Baksteen! “De Baksteen van mijn samenlevingshuis moet nog sterker worden.” Begrijpt u; dit soort verkapte onzinpunten zijn geen pluspunt!
Mensen zouden moeten mogen vloeken, al is het maar omdat je eigenlijk niet mag vloeken. In de bres, voor degenen die zich afvragen of er wel een God bestaat, maar dit niet profileren, want misschien maakt God er een punt van.
Ik zou een politieke partij willen die echt punktlich is, er voor alle punten is, geen puntje uitgesloten. Maar om mijn punt te maken voor de één, krijgt nummer twee er alweer één minpuntje bij.
Hoe langer ik hierover nadenk, hoe groter m’n punthoofd, geen lichtpuntje plezier, laat staan nog een echt speerpunt op papier.
En precies dit knelpunt is het. Punt.
