Hij zat op de vensterbank. Een winkeltas op wielen voor zich, naast zich een grote Ikea-tas, alles wat hij had. Zijn kleren waren besmeurd met modder, vet en etensresten. Een groene legerbroek en een grote gebreide trui die hij ergens gevonden had en waar hij al zijn kleren onder kon dragen. Zijn donzen jas lag op de wagen, met daarbij de doos die hem zo dierbaar was. Hij mompelde in zichzelf. Af en toe stond hij op en begon met grote gebaren en harde scheldwoorden tekeer te gaan tegen zijn broer, die hij maar niet uit zijn hoofd kon krijgen. Hij was zich niet bewust van de mensen om hem heen, die op allerlei manieren probeerden hem te vermijden. Soms pakte hij met woeste gebaren zijn Ikea-tas en deed hem als een rugtas om. Hij zette zijn zonnebril op en begon te lopen. Altijd maar lopen, nergens heen, en weer verder en toch maar weer terug.
Die keer zag hij een deur die wagenwijd openstond. Hier moet ik zijn, dacht hij. Hij liep naar binnen. Hij schrok toen de glazen deur voor hem in een snelle beweging open schoof. Het was grijs binnen, de trappen, de vloer, als thuis. Van achter de trap kwam iemand in een uniform op hem af lopen en hij raakte in paniek. Hij rende de trap op en het bovengelegen café in. Hij stond daar binnen, wiegend met zijn hele lijf heen en weer, ineengedoken alsof hij zich moest verdedigen, tegen slaag? Hij joeg de man weg die bij hem probeerde te komen. Niemand wist wat te doen. De geluidsinstallatie ging intussen vloeiend over op het jazznummer “Summertime”, van Louis Armstrong. En terwijl hij zachtjes mee ging neuriën op de hem zo bekende trompettonen van weleer, zakte hij op de grond en begon te huilen.
