Ik wil een punt maken.

Ik wil een punt maken voor iedereen wiens eigen stem en/of geluid niet gehoord wordt. Voor iedereen die niet gezien wordt, die thuis zit, doof, blind, gevoelloos, of überhaupt alles als loos ervaart. De monddoden, de doden, de nu niet levenden, de nog ongeborenen.

Ik zou een dik punt willen kalken, in het levensboek, dat er een uitroepteken moet komen voor de zwaksten. Alleen al om die reden verdienen ze het een punt te hebben.

Ik wil een punt maken van dingen die zichzelf niet als punt kunnen manifesteren. Voor degenen die het geen punt vinden, dat hun punt niet dik geschreven is, cursief, in groot LETTERTYPE. Of het niet nodig vinden dat hun punt geen punt maar altijd al, slechts een komma is.

En mensen die het voor de wind gaat, niets te klagen, gezond leven in welbehagen, ga ik daar een punt voor maken? Nee, achter die aandacht zetten we maar eens een punt. Zij weten met vlijmgeslepen punt zelf dondersgoed alle puntjes op hun i te zetten en maken feilloos een punt van hun pijnpuntjes; zie hier de Partij van de Baksteen! “De Baksteen van mijn samenlevingshuis moet nog sterker worden.” Begrijpt u; dit soort verkapte onzinpunten zijn geen pluspunt!

Mensen zouden moeten mogen vloeken, al is het maar omdat je eigenlijk niet mag vloeken. In de bres, voor degenen die zich afvragen of er wel een God bestaat, maar dit niet profileren, want misschien maakt God er een punt van.

Ik zou een politieke partij willen die echt punktlich is, er voor alle punten is, geen puntje uitgesloten. Maar om mijn punt te maken voor de één, krijgt nummer twee er alweer één minpuntje bij.

Hoe langer ik hierover nadenk, hoe groter m’n punthoofd, geen lichtpuntje plezier, laat staan nog een echt speerpunt op papier.

En precies dit knelpunt is het. Punt.

Stijn Bleij

Wij de gezworen kameraden

Wij, Robbie, Henk en ik zaten op de HBS vlakbij het Museumplein. We waren 16 jaar en hadden net als de Beatles lang haar. De school was buitengewoon conservatief, de rector had wel vier dominees in zijn familie. Ons lange haar was een doorn in het oog. Vreemde woordjes stampen, kogelbanen berekenen, uit de bijbel lezen – het kwam ons de strot uit. Robbie stelde voor om het uitgaansleven te verkennen.
Dus op onze schreden naar de Rembrandtbar voor biertjes op het terras, een broodje bal en een potje kegelen in de Bowlingbar. De bar ernaast werd gefrequenteerd door homo’s wat ons soms gratis drankjes opleverde. Zaterdagen naar het Rembrandttheater, een poptempel met optredens van Wally Tax.
Rembrandt keek goedkeurend toe hoe wij de bloemetjes buiten zetten en dacht: “Wat zou ik die jongens graag schilderen, helaas ben ik te stijf.”
Op het Thorbeckeplein had je nachtclubs, rood verlicht. Striptease, dat leek ons wel wat, maar de forse portiers waren onverbiddelijk. Verderop was een interessante kroeg, de Phonobar, rokerig, en er werden jazzplaten gedraaid. Om de hoek kocht je wiet, 10 gulden voor een luciferdoosje. Binnen mocht je dat niet roken dus draaiden we op de kade een joint en luisterden gierend van de lach naar Miles Davis. Je moest wel op je hoede zijn, wiet was streng verboden.
Het uitgaansleven hadden geen goede invloed op onze schoolresultaten, maar tot onze verbazing slaagden we. Bij de diploma uitreiking kreeg je een bijbel. Die hebben we samen verbrand. Eindelijk vrij.

Robbie liftte naar India, naar een verlichtende guru. Wij verlichtten onze geest door te gaan trippen op LSD. Rembrandt overwon zijn stijfheid en maakte toch dat schilderij van ons. Het hangt in het Rijksmuseum en wordt geschat op 100 miljoen euro. Zo zie je maar: VRIENDSCHAP LOONT.

EDSPAN

De Tijd

Als tijd verstrijkt
Soms snel soms traag
Bestaat de tijd dan wel?
Een ontmoeting in het veld, samen
Ben je dan echt? Ben ik wel echt?

Ik zie het liever als Indianen
Zij nemen regen of bizon als tijdsbegrip
Geen strikte werkschema’s, tijd
Om mens te knechten
Maar puur in verbinding met zon, maan en sterren

En ‘s ochtends als ik wakker word
En handel zoals ik wil of niet
Zal tijd mij in het ootje nemen
En ik, ik sta even stil

Marin Mathijsen

Thuiskomen

Ik woon op de grens
Van dag en nacht
Het schemergebied
Dat ondoordringbaar verboden
Geslaagde stuk onbereikbaarheid
Niemandsland
Aan een enkeling
Voorbehouden
Die het rode pad is gegaan
Bezaaid met bloemen
Van zonlicht gemaakt
En ik gooi mijn sleutels
Over mijn schouder
Mijn huis heeft
Geen deur, noch muren
Het zijn de kleuren
Die mij aantrekken
Mij, mijn huis inzingen
Het rood is mijn thuis vandaag

Pieter Groen

Thuiskomen

Ik woon op de grens
Van dag en nacht
Het schemergebied
Dat ondoordringbaar verboden
Geslaagde stuk onbereikbaarheid
Niemandsland
Aan een enkeling
Voorbehouden
Die het rode pad is gegaan
Bezaaid met bloemen
Van zonlicht gemaakt
En ik gooi mijn sleutels
Over mijn schouder
Mijn huis heeft
Geen deur, noch muren
Het zijn de kleuren
Die mij aantrekken
Mij, mijn huis inzingen
Het rood is mijn thuis vandaag

Pieter Groen